Ons Erfpand
Hierdie redakteursbrief het in Die Brandwag van 15 Julie 1911 verskyn.
Die afgelope week was weer ‘n tijd gewees van nasionale bedrijwigheid en van oplewende belangstelling, waar dit ons taalregte geld. En een van die gebeurtenisse, wat daaraan op die kragtigste wijse uiting gaf was wel die samenkomst te Pretoria van die Suidafrikaanse Akademie van Taal, Letteren en Kunst.
Wie daar nie was nie, het veel gemis, het vooral gemis die manmoedige rede van die bejaarde stryder vir ons volkstaal, Professor Morrees, die meer dan twintig jare gelede reeds sei: “Het nationaal welzijn staat boven partijbelang, en daarom moet de politiek zoveel mogelik buiten de taalkwestie gehouden worden; aan de andere kant echter mogen wij niet terwille van denkbeeldige bezwaren een enkel duimbreeds toegeven, waar het geldt de wettige belangen en rechten onzer taal.” Telkens en telkens het hij helder verlig die onontkenbare deugdelike en gesonde grondslag waarop berus die strijd v’r ons nasionaliteit en taal, sodat seker meer dan een daar weggegaan het met die vaste voorneme die skou’er aan die wiel te set om sijn bietjie krag te voeg bij die van die groot aantal manne en vrouwe onder ons volk, wat hoopvol en vol vertrouwe die toekomst insien.
Nie genoeg kan gewijs worde op die drogredene waarvan die vijande van ons nasionaal bestaan voortdurend gebruik maak om die wil lam te slaan, en die heldere oordeel te benevel en die gemoed te yergiftig van die seuns en dogters van ons volk. Dit het professor Moorrees dan ook met voorliefde gedaan. Het sedert die laaste honderd jaar ‘n sekere partij nie voortdurend misbruik gemaak me van die opvoeding v’r politieke doeleindes en het hulle gedurende die honderd jaar ons taal nie met politieke bijoogmerke vertrap en op alle denkbare wijse agteruit geset en verneder nie? En tog hoe gemakkelik laat ons ons uit die veld slaan deur hulle geroep, dat ons die opvoeding sleep in die politiek en van die taal gebruik maak om rassehaat aan te wakker. Ons skrik te gauw. Seker is die taaIkwestie bij ons meer dan ‘n “louter opvoedkundige- of ekonomiese”. Maar waar die te’enpartij voortdurend daarvan misbruik gemaak het om ons volk te de-nasionaliseer, dus ‘n misbruik v’r politieke doeleindes van die veragtelikste soort, daar maak ons gebruik daarvan om te behou en te bewaar wat ons toevertrouw als ‘n kostbare erfpand.
“Voor ons,” seg professor Moorrees, “is de Taalkwestie meer dan een louter opvoedkundige of ekonomiese kwestie. Het is omdat wij geloven dat de moedertaal een.kostbare erfgoed is, ons van de vaderen overgeleverd, omdat wij overtuigd zijn, dat haar vernietiging gevolgd zal worden door de ondergang van ons nationaal leven: omdat het ons duidelik is dat de God der Vaderen die elke natie tot een zekere bestemming uitverkoren heeft, ook in ons volk zekere eigenschappen gelegd, en in de loop onze historie ontwikkeld heeft, die wij niet durven verlochenen zonder ons te bezondigen tegen God en ontrouw te worden aan de edele tradities van het voorgeslacht; het is daarom dat wij alle krachten willen inspannen om de moedertaal en daarmede het nationaal bestaan te redden van de langzame maar zekere dood die zij tegemoet gaat, indien wij ons onwaardig betonen de naam van het voorgeslacht te dragen, en door onverschilligheid, lafhartigheid of lamheid het pand ons laten ontroven dat zij ons van Godswege hebben toevertrouwd. Maar ik ontken ten stelligste dat wij daarmede de taalstrijd overbrengen op het gebied van de politiek of ons aan ‘t verwekken van rassenhaat of verdeeldheid schuldig maken.
Indien men elkeen, een aanstoker van rassenhaat noemt, die niet dweept met een ziekelik humanisme, dat alle begrippen van liefde voor land en volk verwatert, en een geslacht vormt dat noch koud noch heet is, dan is elke patriot in de ouderwetse zin van het woord, een aanstoker van rassenhaat. En dan is niemand dit meer dan de gewone Engelsman, wiens hooghartig neerzien op alles wat niet op engelse voet geschoeid is spreekwoodelik is geworden. Maar wat men in onze engelse vrienden als een edel patriotisme bewondert, wordt soms in de Afrikaner als rassenhaat veroordeeld. Het moet echter nog bewezen worden, dat men minder getrouwe onderdanen van ‘t Britse Rijk behoeft te zijn, door meerdere gehechtheid te betonen aan de tradities der vaderen.
Wanneer een man als wijlen Prof. Blackie van Schotland met weemoed placht te spreken over het langzamerhand verdwijnen van de eigenaardige karaktertrekken van zijn volk, waardoor het kenmerkend nationale verloren ging; wanneer de bewoners van Wallis verenigingen stichten en een sterke beweging op touw zetten om hun moedertaal als medium van onderwijs erkend te zien op hun scholen, en daarin dan ook slagen, zodat volgens die getuigenis van hun vertegenwoordiger op de Imperiale Konferentie, de doeImatigheid dier inrichtingen daardoor prakties is verdubbeld geworden, of wanneer de Franse Kanadezen vasthouden aan hun eigen taal, rechtspleging en nationaal gewoonten, als, ik haal de woorden van een der kanadese ministers aan – “als een erfenis van vroeger geslachten, een erfenis verbonden aan historiese en familie herinneringen, voor ons volk even dierbaar als het Ieven zelf” – moeten deze allen dan gebrandmerkt worden als aanstokers van rassenhaat en gevaarlike samenzweerders tegen de eenheid der rijks ?
Neen! M.H.H. ik voor mij geloof dat het rijk in tijd van nood betere onderdanen hebben zal aan die stugge gemoederen, die de hals niet willen krommen onder het juk van vreemde gewoonten, omdat zij vastheid van karakter bezitten, dan aan die fijne heren, die zo gemakkelik hun eigen volkstradities prijs geven, en juist daardoor tonen dat zij karakterloos zijn.
‘t Is waarlik niet door verlochenen van eigen taal en nationaliteit en een slaafs na-apen van al wat uitheems is, dat wij de Engelsen mede-burger respekt voor ons zullen inboezemen. Voor een korte tijd mag men zich een goedkope populariteit yerwerven om zijn onbekrompenheid en ruimte van blik, maar op de duur zullen de besten onder onze engelse medeburgers de zodanige verachten… En daarom geloof ik dat rassenhaat en verdeeldheid niet gevoed, maar veeleer vernietigd worden, door het vermijden van alle rechtmatige grieven, en door het toekennen aan de hollandse taal van de plaats, die haar toekomt op de school en in de samenleving.
Ja, ons kan daar nie genoeg op gewijs word nie, dat die geroep van politiek! politiek! telkens wanneer ons die ons toevertrouwde onderpand van die ondergang trag te red, niks anders is als ‘n ijdele krijgsgeroep, misbruikt als ‘n geskikte skrikmaakmiddel om die grote deel van flauwhartige en louwe onder ons vrees aan te jaag. Want ons te’enstanders ken die soort. Hulle weet maar te goed dat skikkinge-maak en kompromieses-aangaan met sijn o’ertuiging en beginsele die mode is van die dag ook bij sommige van onse voormanne, wat beter moes weet. In die geskipper leg g’n veiligheid. Die maatskappij is te samen gesteld en die kluwe van omstandighede te ingewikkeld en die mens wegens sijn kortsigtigheid te weinig instaat om met sekerheid te bepaal wat die toekomst in sig berg, dan dat hij hom op sulke onsekere slimmighede ongestraf kan verlaat. Beginselvastheid is v’r ons, mense, bij al die onsekerheid die enig sekere.
Hoor wat professor Moorrees seg:
“Toen de grondlegger van Nederlands vrijheid, stervende ter aarde zonk, met de bede op de lippen: “0 God ontferm U over mijn arm volk!” toen meenden de schranderste staatslieden van die tijd, met weinige uitzonderingen: de voorgangers in kerk en staat, bijna allen, die de belangen van de staat. en het behoud der godsdienstige vrijheid lief hadden, dat de enige weg tot behoud van het vaderland lag in de aanbieding van de souvereiniteit aan een vreemde vorst.
Doch Gods gedachten waren anders dan de berekeningen van de mens. De grafelike kroon beurtelings aan de koning van Frankrijk en de koningin van Engeland aangeboden, werd door beide van de hand gewezen. De gezantschappen keerden teleurgesteld terug; de wijze plannen der nederlandse staatslieden werden verijdeld, de gebeden der vromen bleven schijnbaar onverhoord, het land scheen zijn ondergang nabij!
En toch die plannen moesten verijdeld. die verzuchtingen onverhoord blijven, omdat God iets beters met de Nederlander voor had; en in stromen bloeds werden de grondslagen der vrije Republiek gevestigd.
Dit enkel voorbeeld zou gemakelik te vermenigvuldigen zijn. Maar waartoe verder naar voorbeelden zoeken? Heeft niet de jongst verledene geschiedenis van ons eigen vaderland het ons overtuigend bewezen: hoe onmogelik het voor de kortzichtige mens is: de weldadige plannen Gods te doorzien, of de ontwikkeling der gebeurtenissen in de loop der geschiedenis vooruit te berekenen. En daarom alleen – al laten wij alle hogere motieven buiten rekening, is het ook uit een zuiver staatkundig oogpunt een uiterst gevaarlik iets, indien men zijn beginselen prijs geeft, ten einde daartoe een tijdelik voordeel te behalen; indien men door gedurig schipperen een schijnbare verzoening trachten te bewerken tussen verschillende zienswijzen, die in de grond der zaak onverenigbaar zijn!”
Nie in die geskipper, maar in strijd, als dit nodig is, lig die krag van die individu sowel als van ‘n volk. Maar ons wil nie te hard wees nie. Daar is bij ons volk per slot van rekening ‘n gesonde kern en als hij rondgeslinger word deur die verkeerde winde wat daar waai, als hij langsamerhand geleer het om sigself en sijn afkoms te minag, dan is dit omdat hij nog sijn volk ken soals dit is, nog sijn voorouders soals hulle in die verlede was. Dit kom dan eenvoudig daarvandaan dat aan ons sorgvuldig onthoude is die kennis van die geskiedenis van ons ei’e volk, ” ‘t licht der waarheid en de leermeesteres des levens.”
“Niet ten onrechte werd de geschiedenis door de ouden “het licht der waarheid” en “de leermeesters des levens” genoemd. Zij draagt een lichtende fakkel in de hand, en laat haar heldere stralen vallen in de duisternis van lang vervlogen eeuwen; zij laat ons de wording en ontwikkeling, de worstelingen en ondernemingen van volken en staten kennen. Zij stelt ons in staat de oorzaken van hun bloei en verval op te sporen, en houdt ons de grote mannen, die zich een blijvende plaats in hare gedenkrollen veroverd heeft, ter lezing en navolging voor. Onder de vele onderwerpen die men beoefenen kan ter verrijking van zijn geest en ter veredeling van zijn karakter, weet ik geen enkele te noemen, die rijker vruchten afwerpen zal dan dit studievak. En hier neemt de Geschiedenis des Vaderlands vanzeIf de allereerste pIaats in.
De eerbied die wij verschuldigd zijn aan de nagedachtenis onzer vaderen, wier bloed in onze aderen vloeit, de vruchten van wier arbeid en strijd wij genieten, moet alleen genoegzaam zijn om belangstelling in te boezemen voor hunne lotgevallen en daden, de liefde die elk rechtgeaard mens bezielt voor zijn geboortegrond, moet ons een spoorslag zijn om bekend te worden met zijn geschiedenis. Maar er is meer! Het tegenwoordige toch wortelt in het verledene, en is de vrucht ener ontwikkeling van vroegere eeuwen, en het is onmogelik onze tegenwoordige maatschappelike en staatkundige toestanden te begrijpen, of een bevoegd oordeel uit te spreken over de geweldige vraagstukken van de dag, indien men onbekend is met de loop der geschiedenis, waaruit zij geboren zijn. De wet der causaliteit heerst ook hier:
“In ‘t verleden ligt het heden; in het nu, wat worden zal!”
En juist hierom is het dat de beoefening der Zuid Afrikaanse geschiedenis, niet slechts voor de mannen van het vak, maar voor allen die hun geest wensen te verrijken en te beschaven zulk een veelbelovend veld aanbiedt. Onze geschiedenis toch staat niet op zichzelf. Van haar eerste bladzijde af, brengt zij ons in aanraking met de machtige wereldgebeurtenissen, die een geweldige invloed hebben uitgeoefend op de ontwikkeling der volkeren. Men kan het ontstaan der eerste blanke nederzetting in Zuidafrika niet goed begrijpen, of juist beoordelen, zonder hoger op te klimmen en kennis te nemen van die gebeurtenissen op het grote wereld-toneel, die geleid hebben tot de planting ener kolonie aan het zuidelik punt van Afrika…
Zullen wij ooit in deze Unie een groot en machtig volk opbouwen, dan dient een geest van zuivere vaderlandsliefde te worden opgewekt en aangewakkerd bij het opkomend geslacht; en daartoe is in de allereerste plaats nodig grondige kennis van onze geschiedenis.
Wat ons nodig het, is dat bij ons kinders aangekweek word ‘n sterk ontwikkeld nasionaal gevoel. Daarvoor is ‘n eerste vereiste kennis van ons eie geskiedenis. Daarvoor is nodig dat die geskiedenis van Suidafrika die eerste plaas inneem bij ons onderwijs en nie die van ‘n ander land of van ander lande, soals nou die belaggelike praktijk is nie, die misdadige praktijk omdat ook dit gedaan word met politieke bijoogmerke: om ons volk ontrouw te maak aan sigself. En ons geskiedenis moet daarbij onderwijs worde soals dit werkelik is. Niks mag terwille van die een of ander partij verberg of bewimpel worde. Die misdaan het moet weet dat hij misdaan het. Want juis die gebrek aan kennis is die vloek van ons samenlewing. Die grofste onjuisthede doen die rondte – die een skrijwer skrijf sonder voorafgaand ondersoek (met weinig uitsonderinge), die ander na en die afskuwelikste valshede word verkondig als onomstotelike waarhede, ja die ergste verdraaiing van ons geskiedenis is v’r sommige nie erg genoeg nie. Die gevolg is, dat hier menigeen met hoogvaardiheid en opgeblasene selfvoldaanheid rondloop en die bitterste minagting koester v’r ons volk. En tog als aan hulle die doen en late van hulle eie ras hier in Suidafrika eens helder bekend sal word, dan sal hulle uitvind dat hulle, verre van ‘n onvermengde segen, v’r Suidafrika gewees het juis die oorsaak van rampe en onnoemlik veel lijde.
Als hulle so leer begrijp het dat die veragte en verguisde Boere-volk eerbiedwekkende geduld en waardigheid aan die dag geleg het bij die verdrage van die onreg te weeg gebreng deur die ras, waartoe hulle behoor, miskien dat dan met die verdwijning van die onkunde, die onbekendheid met die geskiedenis van Suidafrika, ook verdwijn iets van die ijdele selfverheffing. Miskien dat dan met minder sekerheid gepraat sal word van eie onbesoedelde verlede en die veragtelikheid van die Boere-ras.
Dit sal seker een van die heilsame invloede wees wat die meerdere kennis van ons geskiedenis te weeg sal breng: ‘n betere waardering van die werke van sijn eie ras en minder eigen dunk.
Dit sal ook goed wees v’r baje van ons eie volk, wat verag onse roemrijke voorouders, die tog van ons niks dan agting verdien en dankbaarheid v’r wat hulle v’r ons gedoen het.
“De gebreken en verkeerdheden van het verledene, waardoor menige bladzijde van onze geschiedenis bezoedeld is, en die niet mogen bewimpeld of vergoelikt worden, zullen ons bewaren voor dwazen trots en belachelike verwaandheid, en ons wijsheid leren voor de toekomst. En aan de andere kant zullen de deugden van het voorgeslacht ons terughouden van die laffe en karakterloze navolging van vreemde gewoonten en zeden; dat uit de hoogte neerzien op, en minachten van alles wat ‘Dutch’ is, dat bij zovelen wordt aangetroffen, door ons te Ieren dat wij ons de Afrikaner naam niet behoeven te schamen, en de ogen niet behoeven neer te slaan voor de geschiedenis van ons volk.
Wat de Afrikaner maar al te dikwils ontbreekt, is een gevoel van zelfstandigheid, het bewustzijn, dat wij een eigen nationaliteit bezitten, die bestemd is zich te ontwikkelen, en al de eigenschappen bezit om een grootse toekomst te gemoet te gaan. Dat bewustzijn zal worden opgewekt door de beoefening der geschiedenis. Zij zal ons onze eenheid als volk doen gevoelen, en ons dat nationaal zelfrespekt inboezemen dat zo nodig is voor de behoorlike ontwikkeling van ons volksbestaan. Zïj zal ons doen zien, om de woorden van onze historikus Dr. Theal te gebruiken: “dat de mannen, die de Europese macht in Zuidafrika hebben opgebouwd, in geen enkel opzicht achter stonden in die eigenschappen, die achting inboezemen, bij de stichters van enige andere kolonie in de wereld. Zij brachten naar dit land een onoverwinnelike liefde voor vrijheid, een geest van volhardende vlijt, een diep geworteld gevoel van vertrouwen op de Almachtige God!”
Neem, als voorbeeld, de eerste bladzijde uit onze historie. De ontdekking van de Kaap de Goede Hoop is een der vruchten van de handels- en ondernemingsgeest in de vijftiende eeuw van onze tijdrekening, die zulke gewichtige gevolgen zou uitoefenen op de loop der wereld geschiedenis. Na een eeuwenlange slaap begonnen de volkeren van Europa tot ontwaking te komen en de vleugelen uit te slaan om nieuwe werelden te gaan ontdekken en veroveren.”
En wanneer nu de nadenkende beoefenaar onzer geschiedenis zich de vraag stelt aan welke oorzaken het te wijten was, dat de eerste nederzetting van blanken in Zuidafrika niet te wijten was aan die koene zeevaarders, die het eerst de stormkaap hebben ontdekt, maar door een ander volk, dat na een roemrijke en langdurige strijd zijne onafhankelikheid had weten te verkrijgen en reeds vóór die bloedige worsteling geëindigd was, zijne schepen uitgezonden had naar het kille noorden en het verre oosten heen; wanneer hij verder vraagt: waarom die inbezitneming van de Kaap juist op dat tijdstip moest geschieden, dan wordt hij gedrongen een onderzoek in te stellen naar de merkwaardige gebeurtenissen, waardoor het kleine Nederland uit de schaduw naar voren trad, om de allereerste plaats onder de zeemogendheden der wereld in te nemen. Dat onderzoek zal hem een blik doen slaan op ‘t toneel van die machtige worsteling voor vrijheid en onafhankelikheid tegen dweepziekte, gewetensdwang en politieke tirannie, van een der kleinste landen van Europa tegen het machtigste rijk van die tijd, die verreikende gevolgen heeft gehad voor de ontwikkeling van het mensdom.
Kunnen wij aan het opkomend geslacht op een enkel voorbeeld wijzen waar roemrijker strijd met taaier hardnekkigheid en groter heldenmoed werd gevoerd, dan dat van ‘t kleine Nederland dat in die tijd een onverzaagdheid aan de dag legde, die voor geen overmacht terugdeinsde; een offervaardigheid die niet schroomde de kostbaarste offers op het altaar der vaderlandsliefde te leggen; een staatsbeleid en volharding die het eindelik de zegepraal verzekerden, en op dat handjevot slijk dat Nederland heet, de grondslagen vestigden van een staat, die met ere zijn plaats mocht innemen onder de machtigste naties der wereld.
Waarlik men moet glimlachen over de onnozelheid van hen, die zich schamen omdat er Hollands bloed in hunne aderen stroomt. Als het een schande is zich afstammeling te weten van een volk, dat zijn grondgebied aan de zee ontworsteld heeft, dat een roemrijke strijd voor gewetensvrijheid en onafhankelikheid heeft gevoerd, dat de grondslagen van godsdienstige en maatschappelike vrijheid voor Europa heeft gelegd, dat de verste landen der wereld aan zijn gezag heeft onderworpen, welks vlag door alle volken werd gevreesd, welke gezandten aan elk vorstelik hof met onderscheiding worden behandeld, welks grootheid zowel de bewondering als de afgunst van Europa was, dan ja, mogen wij ons schamen over onze afkomst, en het volk verlochenen uit welks lendenen wij gesproten zijn!
Onze allereerste en schreiende behoefte is dat de Vaderlandse Geschiedenis een veel ruimer plaats innemen zal in de opvoeding dan tot hiertoe in de meeste scholen en kolleges het geval is geweest dat zij niet langer de Assepoester onder haar zuster studiën zij. Alleen maar zorge men er voor dat aan onze kinderen een zuivere en onpartijdige voorstelling van de loop der geschiedenis worde gegeven.
De onwraakbare feiten der historie mogen niet worden bewimpeld of verdraaid uit vrees om nationale trots te krenken of uit een ziekelike zucht om geen aanstoot te geven aan degenen, die de koppige feiten niet willen of niet durven in de ogen zien. Ook hier gelde de leus onzer Gereformeerde vaderen: “de waarheid bovenal!” Ik weet het wel, dat men somtijds bevreesd is de klare en onbevooroordeelde stem der historie te doen spreken, omdat wij vergeven en vergeten moeten. Welnu ik vertrouw dat wij genoeg kristenen zijn om te kunnen vergeven. Maar vergeten! Gaarne willen wij het dood verleden zijn doden laten begraven. Maar er zijn dingen, die men nu eenmaal niet vergeten kan, zonder ontrouw te worden aan de nagedachtenis van hen, wier heldenbloed de velden van ons dierbaarland heeft gedrenkt, wier beenderen sluimeren onder onze sterrehemel in menig onbekend graf.
Gaarne willen wij vergeten, de verbittering en vijandschap: elke onheilige hartstocht van een droef verleden, maar wanneer men van ons vergt dat wij de schoonste bladzijde uit onze geschiedenis zullen scheuren en ze der vergetelheid prijsgeven, dan eist men van ons wat geen volk op aarde doen kan zonder zich onwaardig te betonen aan zijn edelste zonen en dochteren!

