De vereenvoudigde Spelling
Hierdie essay het in Die Brandwag van 15 Julie 1911 verskyn.
Misschien is het voor de Afrikaanse lezers van “Die Brandwag” belangwekkend eens te vernemen dat men hier te lande zich nog maar altijd nie kan verenigen met de vereenvoudigde spelling, in sommige kringen ten minste, dat hier nu al een twintig jaar lang geworsteld moet worden om tot de natuurlike toestand te komen, die Zuid Afrika als vanzelf zag en voor zich koos.
Er valt uit de laatste jaren wel iets biezonders te vermelden, b.v. het plotseling opbruizende verzet van een zeventigtal letterkundigen, waardoor velen met mij even onaangenaam getroffen werden. En geen wonder: immers als men jaren lang een voorstander van het een of ander geweest is en de tegenstand is gaandeweg verflauwd tegen het nieuwe en dan komen er plotseling een groot aantal mannen die namen te verliezen hebben en die vertellen dat wij een zaak van slechte strekkling hebben voorgestaan tot nu toe en dat men werk deed gevaarlik voor volk en stam, dan is men geneigd de wapens neer te leggen en te gaan redeneren: Dat zijn dus een goede 15 jaar vermorst aan wat ik een volks- en stambelang acht; laat nu een ander de volgende 15 jaar voor zijn rekening nemen.
Men kan dit natuurlik nu ook opvatten zoals een van de zeventig letterkundigen, die het befaamde adres zonden aan de Minister van Binnenlandse Zaken, toen hij schreef: “er vaart al een siddering door de Kolle-rijen.” Die mening wordt dan door de haat ingegeven en haat verblindt. Dat het adres ons pijnlik trof spreekt vanzelf. Of liever nee – het dreigde te treffen, want toen wij het lazen viel het geducht tegen wat de argumenten betreft. Een van de ondertekenaars, Scharten, zegt er zelf van: “Wat deden we in de kou?”
Het slecht geformuleerde adres heeft ons veel goed gedaan – het bezorgde ons een tegen-adres van 500 letterkundigen, hooggeleerden, leraren en taalmensen, dat alle argumenten een voor een weerlegde.
En nu na deze weerlegging kwamen in de maand Februarie twee stukken in tijdschriften uit. C. Scharten schreef in De Gids: “Het Spelling-vraagstuk” met als ondertietel: “De Vereenvoudigde” een gevaar voor volk en stam,” en Frans Bastraanse, ook een van de ondertekenaars, in “Onze Eeeuw” “Het Spellings- en taalstelsel van Kollewijn”. Dat laatste stuk is selfs als brosjure uitgegeven (Haarlem, Erven Bohn). Beide stukken bevatten dezelfde argumenten, maar het laatste stuk is zo hevig, nijdig en daardoor persoonlik, dat men wjs doet er niet op te antwoorden en zich alleen verbaast, dat het een plaats kon vinden in een net tijdschrift als “Onze Eeuw.” Dit laatste kan alleen verklaard worden uit het feit dat de Redaktie ervan met leedwezen ziet welke vorderingen de “Vereenvoudigde” maakt. Scharten alleen is dan ook beantwoord door Prof. Ds. D. C. Hesseling in een afzonderlike brosjure: “Onze gevaarlike Spelling” (Leiden, van Doesburgh, 1911). Ook komt er nog eerstdaags een antwoord van Ds. R. A. Kollewijn in “Groot-Nederland,” maar hierover later.
In het eerstvolgende pas verschenen No. van “Vereenvoudiging,” ons orgaan, is ook een verklaring van het Hoofdbestuur verschenen: Naar aanleiding van de jongste aanvallen op de vereenvoudigde spelling besloot het Hoofdbestuur de volgende verklaring te publiceren:-
De bedoeling van onze negende regel (bij de verbuiging van lidwoorden, bijvoeglike naamwoorden en voornaamwoorden richte men zich uitsluitend naar het beschaafde spraakgebruik) is nooit geweest, het algemeen beschaafde spreken te verheffen tot de enige vorm voor alle schriftelik taal-gebruik. De Zuid-Nederlander die buigingsvormen, door hem als bestanddeel van zijn beschaafde spreken beschouwd, wenst te schrijven, de kunstenaar, die innerlik gehoorde taal zo nauwkeurig mogelik weergeeft, handelt in volkomen harmonie met de beginselen, waarop onze regel voor het algemene schrijven berust.
De vereenzelviging van de vereenvoudigde spelling met een bepaald soort stijl komt voort uit een misverstand dat sinds jaren door de feiten weerlegd is.
Men zou zo zeggen, dat dit overbodig was maar blijkbaar is het dat niet.
Vanwaar toch dat plotselinge uitbruisen van de afkeer in de kringen van de Ietterkundigen? Ik wil in het volgende trachten in beeld te brengen hoe de toestand was in de gewesten van Litteratuur en Taal binnen de grenzen van de “Lage Landen bij de Zee,” de oude naam voor Nederland, in de dagen om 1885 en het verloop van deze kwestie meteen daarop doen volgen.
In het gewest van Litteratuur stonden veel burchten van waaruit de familie Predikant heerste als oppermachtig gebieder over het Ietterkundig en geestelik leven van het gehele volk. Wie met deze bevriend of er aan verwant was en, tot de jaren gekomen neiging vertoonde van het gebied van taal op te trekken naar de Litterattuurburchten, werd met open armen ontvangen, als het door hem geschrevene een bewijs van goed zedelik gedrag verdiende. Om dat gebied van Litteratuur toch Iag het veel grotere taalgebied, waarin veel kleinere, ordinair-lelike huizen stonden dIe ze scholen noemden.
Over het gehele gebied verspreid vond men deze. Daarin leefden eigenaardige mensen, hoofd der school of gewoon onderwijzer geheten of allen tezamen schoolmeester. Het eigenaardige bestond hierin dat er een grote vormende kracht van hun uitging tot op het ogenblik dat het woord taal genoemd werd. Dan veranderen zij plotseling in een soort zijdespinnen, die om en door de hoofden van de kinderen draden sponnen tot weefsels, die zich haast onvernietigbaar om en in hun vasthechtten. Zo werden de scholen tot grote ergernis van de kinderen soms vol kriebelig-makende zij gesponnen, ,waarvan ze wel telkens de kleverige draden en weefsels trachtten te ontduiken of te vernietegen, maar te vergeefs. Dit was de toestand. Bereikt het kind de leeftijd van uit het spinneweb te komen dan zag hij als zijn voorland in kalm licht de burchhten van Litteratuur, waaronder de plompe statige “Gids” (1) de belangrijkste was.
[(1) Het bekende Nederlandse tijdschrift dat in 1837 werd opgericht en ook nu nog het meest gelezen is.]
En wie dan iets in zich voelde van heilige levensernst die ging met statige tred zijn schatting brengen aan het gebouw van de “Gids” en wachtte in spanning af of die genadiglik zou worden aangenomen dan wel geweigerd als onvoldoende.
Maar zie uit het spinneweb van taal stormden plotseling een aantal jonge mannen los op het gebied van Litteratuur. Wel waren er nog draden in hun hersenen en het kon later blijken, hoe gevaarlik dat was, maar er was vuur in hun ogen en zij zagen met nijdige blikken naar de burchten. En zij bouwden ook een burcht (2) op de grenzen van het gebied van Litteratuur en beschoten van daaruit zo fel mogelik al wat daarbinnen was. Het werd een hevige oorlog.
[(2) De in 1885 opgerichte "Nieuwe Gids" onder redaksie van 0.A. Kloos, van Eeden, Verwey.]
Nu zagen van het rijk van Taal velen die van de reden niet veel begrepen met ogen vol spanning op naar de burchten, waarvan de vensters gloeiden van een heviger licht nu, want men was overal bezig met volle kracht de aanvallen af te slaan. En het woord taal was niet uit de lucht om zo te zeggen.
En in de scholen bouwden de zijdespinnen hun pootjes in het stille hoekje waar zij geregeld hun web sponnen en zij prevelden in hun statigste spinnetaal gebeden: “Och dat het den heren van Litteratuurland toch gelukken mochte hunnen vijanden de nederlaag toe te brengen.”
Maar zie: er waren meer groot geworden kinderen, die zonder de neiging te hebben tot het veroveren van Litteratuurland toch juichten over die strijd, omdat zij vonden dat dat land nooit tot bloei kon komen onder de heerschappij van die familie. Zich bemoeien in de strijd wilden zij niet, maar wel zagen zij in, dat de strijd daarginds gevoerd eigenlik tegen de zijdesponnen van het Taalrijk ging, zo zelfs, dat als de overwinning in Litteratuurland door de jongeren behaald werd en daaromheen nog voortdurend spinnewebben werden gesponnen om en door kinderhoofden, er kort na de strijd weer nieuwe strijd nodig zou zijn tegen verspinnewebde jonge mensen en opnieuw de dynastie Predikant zou gaan heersen in Litteratuur. Dus als bij stille afspraak omringden die jongeren het slagveld. (3)
[(3) Na een oproep van Dr. R. A. Kollewijn in de "Vragen Van den Dag (1891) ontstonden de voorstellen van "de Vereeniging tot Vereenvoudiging van onze Schrijftaal" en in 1891 kwam de eerste jaargang uit van "Taal en Letteren", dat onder redaksie van, in hoofdzaak, Dr. F. Buitenrust Hettema, 16 jaargangen beleefde en sedert 1906 vervangen is door "De Nieuwe Taalgids" van Dr. de Voogd.]
Zij zagen met genoegen hoe de jongere letterkundigen meer en meer veld wonnen, maar deze hadden geen oog dan voor de lichtende burchten en begrepen er niets van waar het voor de Taalmensen omging. Immers, wanneer de strijd op Litteratuurgebied eens even verflauwde zagen zij wel hoe daar rondom hun in de spinneragen geveegd werd, hoe ze golfden en braken en bij dotten werden neergehaald en door de goot weggespoeld, hoe van de hoogten van hun burcht uitgezien de weefsels dunden en zelfs de natuurlike jongens en meisjes daardoorheen zichtbaar werden, maar dan dachten zij met het genoegen van de herinnering aan de tijd, toen zij zelf onder de brille ogen der spinnen de draden zich zagen uitspreiden over de klas en ze waren vergeten hoe zij daartegen vochten. Ze moesten ook vooruit, want gaandeweg verminderde de weerstand in de burchten; hier brokkelde er een af en viel in puin; in die werd een bres geschoten en gaandeweg werden zelfs de toegangen tot de hoofdburcht niet meer verdedigd en de jonge vijanden drongen ook daarbinnen. Zelfs stichtten de jongeren, wier gelederen versterkt waren, maar die zelf zich te eng behuisd gevoelden in hun burcht nieuwe kastelen met namen als: “De Beweging,” “De XXste Eeuw,” “Het Tweemaandelijksch Tijdschrift,” “Groot Nederland,” enz., terwijl de verdedigers van het grote kasteel van “De Gids” zich niet alle met de overgave daarvan konden verenigen en een nieuwe burcht stichtten, “Onze Eeuw” genoemd.
Maar overal, ook hierin zelfs wisten de jongeren door te dringen, terwijl rondom hun heen hevig geraagd werd in de spinnewebben. Zelfs vouwde menige spin stilletjes de poten om te overpeinzen, of hij wel zou doorgaan met spinnen, of er niet op andere wijze ook zij gesponnen kon worden, ja, de betovering verloor meer en meer haar kracht en de zijdespinnen bleven vaak mensen, van wie ook in taalopzicht een grote vormende kracht uitging; en van bovenaf gezien was er hoe langer hoe meer te zien van frisse gezonde kinderhoofden, ook al verdikten zich op andere plaatsen de webben weer uit pure zorg wegens de naderende wegvaging. Er waren spinnen met verdubbelde produktiviteit en er zuchtten vele kinderkens onder het ondragelike kriebelige weefsel.
Waar zie de heren letterkundigen die de vorstelike familie verjaagd hadden en zich heerlik neerlieten op hun redaktie- en studeerstoelen en hun ogen in kalme overwinningstemming lieten weiden over de landen van Litteratuur, ja zich al min of meer voelden verstatigen, zij kwamen plotseling tot het besef dat daarginds met het spinneweb een stuk van hun verleden verdween. En zij staken de hoofden bijeen en prezen de schoonheid van hun herinneringen en zelfs de glans van het weefsel waar zij vroeger tegen gevochten hadden; nog kleefde aan hun hersenen het taaie zijdespinsel, en daar kwam het in hun hoofden op om de jongeren het halt toe te roepen. En zie, daar werden van het slagveId geroepen de aanvoerders van de strijd tegen de zijdespinnen en zij gingen rondom de burchtheren van Litteratuurland staan met van de strijd en buitenlucht gebruinde trekken, rustende op de ragebol in kalme afwachting van wat er komen zou.
En toen daar op het onverwachtst het bevel klonk om op te houden met de strijd (4) en die nieuwigheid van het natuurlike-in-jongens-en-meisjeshoofden, die toch eigenlik een gebrek aan eerbied voor het poëtiese was, verder voor zich te houden en de spinnen verder met vrede te laten, toen was daar grote verbazing in de rijen van strijders en er waren er dei uitriepen: “Is dat de dank voor onze hulp? Is het dan werkelik waar wat ons verzekerd was door de jongeren uit onze strijders voortgekomen, dat zij geweerd werden uit de burchten van de nieuwe litteratuur? Wij dachten het was logen, maar helaas…!” En terwijl daar was groot gemurmureer onder de verkeerd begrepen Taalstrijders, zagen de burchtheren uit de hoogte van hun prachtIge verbouwde modern ingerichte burchten neer met opgekrulde lippen vol minachting, omdat de handen van de strijders tegen de spinnen ruw waren van het doorgescheurde rag, omdat hun houding was die van forse strijdmensen en hun gebaar niet fijn van zwier maar krachtig en als een vuiststoot in plaats van een zachte handwuiving. En er waren onder de Taalstrijders, die neiging vertoonden om er het bijltje bij neer te leggen, maar de aanvoerders wanhoopten niet.
[(4) Het adres van de zeventig letterkundigen.]
Want zie ook buiten het klein land aan de zee waar deze strijd gestreden werd, waren er velen verweg gegaan en op de schepen waren de jongelui vervoerd tegelijk met het spinnerag, ja zelfs met enkele spinnen, maar dezen konden niet aarden in andere Iuchtstreek en de weggetrokkenen riepen naar het land dat zij verlaten hadden, hoe heerlik het was te leven in een land waar geen spinneweb van Taalwijsheid kon hangen onder de zonnige hemel, in de ijle opgewekte atmosfeer, in de heldere hoofden, in de luchtige scholen. En het is vooral het zien van die natuurlike toestand, dat heerlike, dat de aanvoerders moed geeft.
En hier treedt een naar voren en waarschuwt de burchtheren van de jongeren om toch de strijd tegen het spinneweb en de zijdespinners niet te staken, omdat zodra dat ragen gestaakt wordt, het web weer uit de hoeken opkomt om zich weer meester te maken van de scholen en zodra de betovering weer in kracht wint en daar weer spinnekop-school-meester ongemoeid heer en meester is, zal hij niet rusten voor zijn hem zo bevriende vorstelike familie weer in de burchten van Litteratuur zetelt. Zodra dus de overwinnaar ouder wordt en op zijn redaktie- of studeerstoel indommelt, spinnen zij hun weefsels om de burchten heen en weer komt er de toestand die zij vroeger zelf bestreden hebben; hun werken en dat van hun voorgeslacht is zo goed als vergeefs geweest door hun verkeerd begrijpen van het lofwaardige streven van hun helpers.
Het nageslacht zal dan betreuren, dat men elkaar vroeger zo verkeerd begrepen heeft.
Maar laat mij zo niet eindigen, want het zou lijken, alsof wij het zonder die hoge heren uit hun burchten niet konden winnen.
En dat is niet waar. Wel is waar dat onze hoofd regel die vele nodeloze n’s uitroeit van ‘t papier overal doorgedrongen is, dat alleen dwang in staat is ze op schrift te handhaven; dat deze gezegende verandering alom doorgaat of er op een school hard aan spelling gewerkt wordt of niet. Wel is waar, dat de in het oog springende belangen van het onderwijs in onze taal bij u, en in onze Oost en West, ja zelfs in Vlaanderen machtiger zullen blijken dan wat bezwaartjes van letterkundigen, die niet tot de kern van onze regels zijn doorgedrongen.
Helaas, jammer genoeg is ook waar, dat hun opwelling van boosheid de algemene invoering van onze “vereenvoudigde” weer enigszins vertraagd heeft, en dat na 20 jaren van bestaan, ontwikkeling en doordringen.
Wij moeten hierbij maar denken aan ons voorjaar, dat zo koud en guur kan zijn met hagel en sneeuw en toch de voorbode van de zomer is.
J. B. SCHEPERS
Haarlem

